Stoelenmatten

Gemeente: 
Locatie: 
Buurschap Elshof

Coen Eikelboom is stoelenmatter en leerde het ambacht ongeveer 35 jaar geleden op een cursus voor plattelandsvrouwen: ‘Mijn moeder was actief binnen de vereniging van plattelandsvrouwen in de buurschap Elshof en ze hadden nog een paar cursisten nodig voor een cursus stoelbekleden. Die cursussen werden gesubsidieerd, maar dan moest je wel zo’n vijftien cursisten hebben. “Niks voor jou?” vroeg mijn moeder. “Tja, stoelbekleden niet, maar stoelenmatten wil ik wel leren,” zei ik. Want mijn vrouw Diny had ooit twee mooie, oude stoelen gevonden waar de zittingen van stuk waren. Een week later kwam mijn moeder: “Je staat op de lijst.” En daar zat ik dan tussen al die kakelvrouwen.’

Markten
De cursus werd gegeven door een mevrouw uit Giethoorn die keurige bosjes biezen bij zich had voor een stoel. ‘En na die cursus blijven oefenen natuurlijk. Voordat je het echt in de vingers hebt, ben je wel tien tot vijftien stoelen verder.’ Naast zijn werk in de koffieautomaten branche maakte Coen zich het ambacht van stoelenmatter eigen. Via een kennis die in de organisatie van de Deventer Donderdagen zat, begon hij demonstraties te geven in Deventer. Zo bekwaamde hij zich verder in het ambacht en kreeg hij wat naamsbekendheid. Hij matte ongeveer een stoel per week. Ook nadat de Deventer Donderdagen werden opgeheven. Sinds een jaar of vier is Coen elke woensdagochtend in juli en augustus op de Sallandse Bottermarkt in Raalte te vinden. Hij is nu met pensioen en heeft het drukker met stoelenmatten dan ooit tevoren.

Prachtig beroep
‘Het is een prachtig beroep en je kunt er goed van bestaan. Als je een rijke vrouw trouwt,’ zegt Coen met een lach. ‘Je moet er aardigheid in hebben, anders moet je er niet aan beginnen. Het materiaal is duur en er gaan vreselijk veel uren in zitten.’
In het verleden waren het vooral woonwagenbewoners die dit ambacht uitoefenden. Het was seizoensarbeid, want in juni moeten de biezen afgesneden worden. Dan zijn ze op lengte, maar nog niet volgroeid. Blijven ze langer staan dan worden het vishengels en kan een stoelenmatter er niet meer mee werken. In het voorjaar en de zomer gingen woonwagenbewoners langs de deur met verse biezen. Wie een stoel te matten had zette deze op de deel en de stoelenmatter ging aan de slag. Hij was er wel een paar uur mee bezig, af en toe werd er even om de deur gekeken of hij er nog zat.

Biezen
De biezen worden eerst nat gemaakt, vervolgens ineengedraaid en dan pas tot matten gevlochten. Toen Coen begon met stoelenmatten gebruikte hij Nederlandse zoutwaterbies uit - de naam zegt het al - de Biesbosch. ‘Die proefde gewoon zout en had de eigenschap dat hij bij vochtig weer een beetje vocht opnam. Daardoor bleef hij langer houdbaar, ook op de stoel.’
Na de ingebruikname van de Haringvlietsluizen als onderdeel van de Deltawerken verdween het getijverschil in de Biesbosch en daarmee ook de zoutwaterbies. Nu gebruikt Coen zoetwaterbies uit Portugal. ‘Dat overschakelen heeft me wel een stoel gekost. De Portugese bies is veel droger en moet goed nat zijn om te kunnen verwerken, anders breekt hij. Op een markt of braderie is dat lastig, want je drinkt een kopje koffie of zit een half uur te kletsen en intussen droogt die bies op.’

Genemuiden
Coen Eikelboom koopt zijn materiaal bij een biezenhandel in Genemuiden, van oudsher het stadje van de biescultuur. Al in de 16e eeuw werden aan de kust van de Zuiderzee tussen Genemuiden en Kampen biezen geoogst voor het maken van matten. Toen de vraag afnam, de concurrentie uit het Verre Oosten toenam en de biezen schaarser werden, schakelde men over op kokosmatten. In de jaren 60 begonnen de Genemuider fabrikanten tapijt van nylon en wol te maken. Nog steeds is 60% van de totale Nederlandse productie van kamerbreed tapijt afkomstig uit Genemuiden. Maar ook stoelenmatter Coen koopt nog altijd in Genemuiden, niet alleen biezen, maar ook materiaal om webbing vlechtwerk te maken.

Webbing
Webbing vlechtwerk wordt gemaakt met de schil van de rotan. De dunne, fijne strookjes rotan komen uit Indonesië en worden door bestaande gaatjes in het stoelframe gevlochten. Het is kostbaar materiaal, vertelt Coen, de laatste keer moest hij 45 euro per pond betalen. Dit vlechtwerk zie je veel op antieke stoelen die ingevoerd zijn in de koloniale tijd. Oorspronkelijk zijn deze stoelen bedoeld voor kleine, lichte mensen uit de eerste helft van de vorige eeuw. Het materiaal is sterk en bij normaal gebruik kunnen huidige westerlingen er prima op zitten, maar je moet er niet op gaan staan om een plant water te geven.
Coen laat een prachtig antiek stoeltje zien dat net af is en waar hij een paar weken aan gewerkt heeft: ‘Niet aan een stuk door, dat is het mooie van dit materiaal; je kunt stoppen en de volgende dag verder gaan. Je sopt er overheen met een natte doek, duwt de strengen een paar uur in het water en je kunt weer verder. Een bies niet, een bies moet af. Anders droogt hij uit en krijg je hem nooit meer mooi.’

Praatstoel
Er zitten heel wat uren in het webbing stoeltje, maar het geeft Coen voldoening dat hij een antieke stoel heeft weten te behouden. ‘Het is mijn pronkstuk, mijn dochter heeft hem gefotografeerd en nu komt hij op mijn visitekaartje.’ Webbing vlechtwerk is niet geschikt om op een markt te demonstreren. Het dunne materiaal slaat snel dubbel en doordat de bovenkant glanst en de onderkant niet moet je tijdens het vlechten goed opletten dat de glanzende kant boven blijft. Die concentratie is moeilijk op te brengen als er veel mensen om je heen staan die ook nog eens van alles willen weten. ‘Na zo’n dag op de markt ben ik moe van het praten,’ zegt Coen, van nature een zwijgzaam man. Toch heeft het werk op markten hem niet alleen gestimuleerd om zich verder te bekwamen in het stoelenmatten, maar ook om wat vaker op zijn praatstoel te gaan zitten.

Auteur: 
Geertje van Os