Restauratiewerkplaats fortepiano's

Gemeente: 

Chopin bespeelde geen moderne Steinway vleugel, maar componeerde op fortepiano's van de Franse bouwers Erard en Pleyel. De fortepiano is geenszins een minder instrument dan de huidige concertvleugel, maar klinkt lichter, helderder en meer transparant. Naast de genoemde Parijse pianobouwers waren ook Londen en Wenen in de 18de en 19de eeuw bekende centra van pianobouw. Om de vele pianostukken die in die jaren gecomponeerd zijn, te beluisteren op de instrumenten waarop en waarvoor ze zijn geschreven, is 35 jaar geleden in Enschede de restauratiewerkplaats van Edwin Beunk ontstaan. Inmiddels zijn in deze werkplaats alle fortepiano's gerestaureerd, die tussen 1780 en 1870 van belang zijn geweest. De piano's worden daarna verkocht of verhuurd en vliegen letterlijk de hele wereld over. De in Enschede gerestaureerde fortepiano's klinken op alle grote concertpodia en er zijn honderden muziekopnames ontstaan met pianisten als Andreas Staier, Malcolm Bilson, Paolo Giacometti, Robert Levin en Malvyn Tan en met orkestleiders als John Eliot Gardener en Philippe Herreweghe. Zonder de restauratiewerkplaats van Edwin Beunk had de authentieke uitvoeringspraktijk in de klassieke muziek er anders uitgezien.

Ontstaan dankzij middenklasse
In de late 18de en vooral de 19de eeuw ontstond voor het eerst een middenklasse in de samenleving, een groep die met de industrialisatie geleidelijk groter werd. Deze middenklasse ging concerten bezoeken, waardoor dit geen privilege van de adel meer was. Voor de gestaag groeiende middenklasse werden steeds grotere concertzalen gebouwd. Om in de grote zalen voldoende volume te kunnen produceren, moesten ook de orkesten en de piano's steeds groter worden. Zo groeide de fortepiano tussen 1780 en 1870 uit van de Hammerklavier uit de tijd van Mozart tot de concertvleugel die we nu kennen.

Technische ontwikkeling
Naast het volume veranderde ook de klank. Vereiste de muziek uit de klassieke periode van Haydn en Mozart een heldere, precies gedefinieerde toon, de composities van Beethoven en Brahms uit de latere Romantische periode vroegen om zwaardere tonen, die langer doorklonken. Zo veranderde de klank van de fortepiano van licht, helder en transparant naar zwaar en rond, met meer nadruk op de bas- en middentonen. De industrialisatie bracht in de 19de eeuw technische veranderingen teweeg, die zich bij de piano manifesteerden in betere snaren en de introductie van een gietijzeren frame in de houten klankkast. Hierdoor konden er meer snaren op de piano gespannen worden en kon het instrument ook hoger gespannen worden, om meer volume te produceren.

De louter uit hout opgebouwde klankkasten van de fortepiano zijn na 200 jaar vaak kromgetrokken, omdat ze de snarenspanning niet meer aan konden. De beenderlijm verliest na al deze jaren zijn kracht en de spanning van de snaren wordt dan te groot voor de verzwakte verbindingen. Het gevolg is dat de piano niet meer gestemd kan worden en vals klinkt. In de Enschedese werkplaats is een speciale techniek ontwikkeld om de klankkasten weer recht te maken en opnieuw te verlijmen, zodat de piano's weer enkele eeuwen meekunnen. Hierbij wordt geen gietijzeren frame aangebracht, want dat zou ten koste gaan van de authentieke klank.

Auteur: 
Siebe Rossel