Noaberschap

Gemeente: 

De hulp die je in vroegere tijden van de buren kon verwachten wordt tegenwoordig geleverd door bedrijfsverzorging, verzekeringen, begrafenisondernemer, loonwerker, verhuizer en de brandweer. Verzekeringen waren er niet of onbetaalbaar en dus werden die taken door de buren gezamenlijk opgepakt.

Een zoon die bij zijn ouders introuwde, nam hij als vanzelfsprekend de buren en de bijbehorende burenplichten over. Als nieuweling moest je zelf je buren kiezen. Meestal waren dat 6 tot 12 adressen die je persoonlijk moest vragen of ze je buur wilden worden. Op boerderijen werden altijd 12 buren gevraagd omdat er zoveel mensen nodig waren bij het dorsen.

Burenplichten waren vrij omvattend en betroffen zowel het sociale- als het zakelijke leven. Bij het afkalven was altijd een extra kracht nodig en de buurman werd dan gehaald. Ook bij het oogsten hielp men elkaar en met het dorsen was je alle buren nodig om de klus te kunnen klaren. Hetzelfde gold voor brand op de boerderij. Naast het bluswerk werd een tijdelijk onderkomen voor de buren en voor ziek vee geregeld en werden de eerste levens- en woonbehoeften geregeld.

Bij verhuizingen werden mankracht, paarden en wagens geregeld om het huisraad maar ook om het voer voor het vee mee te verhuizen naar de nieuwe bestemming. Dit kon een andere boerderij zijn op een reisdag afstand. Vaak hielpen ook de nieuwe buren bij de verhuizing.
Naast huisraad werden ook gereedschappen en werktuigen, veevoer, hooi, de levende have, maar ook weidehekken en alles wat los zat meegenomen. De pachtcontracten liepen meestal tot Sint Petri (22 februari). Tot de burenplichten behoorde ook de sociale controle: op de boerderij letten bij afwezigheid en uitgebroken vee terug in de weide brengen.

In geval van geboorte boden de buren een krentenmik aan. Trouwde een zoon of dochter, dan plaatsten de buren een boog. Werd de bruiloft in de boerderij gehouden dan hielpen de buren met het witten van de muren, het schoonmaken van huis of boerderij en het versieren van de woning.

Bij overlijden was het aanzeggen een taak van de naaste buren. Het aanzeggen bij de pastoor, de dominee of het gemeentehuis gebeurde door een meer ontwikkelde buur. Het aanzeggen van familieleden die verder weg woonden werd altijd uitbesteed en betaald door de buren.
Vaak werd het aanzeggen uitbesteed aan de laagste aanbieder. De aanzegger kreeg meestal een borrel voor de boodschap en om die borrels werd vaak extra laag ingeschreven. De overledene werd meestal in de voorkamer opgebaard. De buren maakten dan alles schoon, kamers en deel werden gewit en achterstallig werk op het erf aangepakt. De luiken van de voorkamer werden gesloten om de temperatuur maar zo laag mogelijk te houden. Van de andere vertrekken werd één luik gesloten.
Het bidden voor de overledene gebeurde meestal op de deel of als er vee stond in een ander vertrek. De bidavonden werden door de buren georganiseerd en het voorbidden gebeurde vaak door de timmerman die ook de kist had gemaakt. Voor de begrafenis werd een ladderwagen door de buren geregeld en de twee naaste buren zaten dan op de bok. De koffietafel na de begrafenis werd meestal op de deel gehouden waarbij de buren zorgden voor een nette ontvangst en het schenken van de koffie. Tijdens de begrafenis droegen de buren de kist.

Auteur: 
Frits Offenberg