Carnavalsoptocht Enschede

Gemeente: 
Locatie: 
Vanaf Volkspark naar het centrum en verder
Wanneer: 
Jaarlijks op de zevende zondag voor Pasen

Jaarlijks vindt op de zevende zondag voor Pasen de Enschedese carnavalsoptocht plaats. De optocht start bij het Volkspark, waarna de praalwagens en loopgroepen parallel aan de spoorbaan hun route vervolgen, om via Hogeschool Saxion het centrum te bereiken. Daar trekt de stoet over de Oude Markt en het Ei van Ko, waarna via de Heurne het spoor overgestoken wordt en de Molenstraat wordt betreden. Eenmaal daar bij de brandweerkazerne aangekomen is de optocht ten einde.

Karakter
Zoals het carnaval betaamt wordt er speelse kritiek geuit op actuele kwesties, zoals in 2013 met de bootvormige wagen "we gaan met Griekenland ut schip in", een als grijs omaatje uitgedoste deelneemster met "ze maakt mie niks mear wies, noa 50 titn gries", en twee zwartgeschminkte zwartwerksters, die de economische crisis becommentariëren. De meeste deelnemers en toeschouwers zijn echter kinderen en begeleiders, zodat kikkers, indianen, padvinders of Asterix en Obelix met een legioen Romeinen ook in de stoet meelopen. De prijswinnende deelnemers van 2013 waren Daaltrappers, Heutinkkrekkels, Vash, PUB, Gifkikkers, De Grenskeelkes, Twekkertjes, W.I.P., Meiden Mulstege, G. Vosmer, en Silvia & Mirjam.

Praalwagens en loopgroepen
Aan de optocht wordt in zeven categorieën deelgenomen. Er zijn ere-groepen (Prins, Raad van Elf, Hoogheden van de Enschedese Karnavals Raad, Mini-hoogheden, dansmarietjes en muziek), grote praalwagens (6 meter of meer), kleine praalwagens, grote groepen (vijftien mensen of meer), kleine groepen (drie tot veertien mensen), eenlingen of duo’s, en wagens of personen die op ludieke wijze reclame maken. Aan elke categorie kan een eerste, tweede of derde prijs worden uitgereikt. In 2013 won carnavalsvereniging De Daaltrappers (anno 1971) met "Cupcakes" de eerste prijs bij de grote praalwagens. Niet onverwacht, want van de acht carnavalsverenigingen in Enschede houden De Daaltrappers het jaarlijks bouwen van een nieuwe praalwagen het meest in ere.

Voorbereiding
De optocht is slechts het meest zichtbare deel van alle carnavalsactiviteiten. De actieve leden van de verenigingen zijn het hele jaar door druk met de voorbereidingen. Voorafgaand aan de optocht kiest elke vereniging een eigen Prins Carnaval. Op 11 november wordt ook de Stadsprins gekozen en de Raad van Elf benoemd. Vaak komen deze hoogwaardigheidsbekleders uit de Enschedese Karnavals Vereniging, maar dat hoeft niet. Men neemt afscheid van de aftredende prins en ontplooit tal van voorbereidende activiteiten. Maanden werken volwassenen aan de praalwagens, oefenen dansmarietjes van 12–18 jaar hun pasjes en wordt onder de kleintjes van 4–12 jaar een mini-Prins en een adjudant gekozen. In deze periode leggen de carnavalsverenigingen bezoeken aan elkaar af. Ook worden een week lang optredens verzorgd bij bejaardenhuizen en zorgcentra. Aan het eind van deze week draagt de burgemeester van Enschede de sleutel van de stad over aan de Stadsprins van Krekkelstad. De jeugdprins(es) krijgt een eigen minisleutel. De volgende dag vindt de optocht plaatst. De organisatie van de carnavalsoptocht ligt in handen van het Bestuur Optochtcommissie Krekkelstad (B.O.C.K.)

Oorsprong van Carnaval
Carnaval (afgeleid van carne vale; vaarwel aan het vlees) gaat vooraf aan de vastentijd, die van Aswoensdag tot Paaszondag 40 dagen duurt (zondagn niet meegerekend). Carnaval vindt daarmee plaats op de zevende zondag voor Pasen. Carnaval is niet alleen een fest, waarbij voorafgaand aan de vastentijd nog één keer onbezorgd gegeten en gedronken wordt, het is vanoudsher ook een omkeringsritueel. Hierbij werden gelijk met de seizoenswisseling ook de maatschappelijke normen en waarden omgekeerd en werden rangen en standen omgewisseld.

Het carnaval is ontsproten aan de middeleeuwse tradities van narren en zottenfeesten. De nar was van origine iemand die geestelijk onvolwaardig en soms ook fysiek mismaakt was. Door onaangepast gedrag en een vreemd uiterlijk gold zo iemand als "van nature grappig". Als een lokale gemeenschap de gebrekkige niet kon onderhouden, kon een welgesteld iemand hem of haar als nar onder zijn hoede nemen. De nar droeg bij aan de status van de eigenaar. Bij een feestmaal met gasten moest zo’n nar grappen en grollen uithalen, waarbij het rare uiterlijk en ongecontroleerde gedrag tot grote hilariteit leidde. Niemand nam de nar iets kwalijk, want net als een dier was hij niet verantwoordelijk voor zijn gedrag. Al of niet dronken gevoerd etaleerde zo’n nar alle boertigheden die middeleeuwse humor typeren, zoals vloeken en schelden, vieze scheten en harde boeren laten en het bewateren van gasten.

De historische opvolger van de natuurlijke nar was de kunstmatige nar. Ook deze nar was het statussymbool van zijn eigenaar en hij werd evenmin verantwoordelijk gehouden voor zijn gedrag. Anders dan vroeger was de nar geestelijk normaal of intelligent. Vaak hoorde hij bij een adellijk hof en durfde niemand de hofnar te bekritiseren, want de heer gebruikte hem om de hofhouding op hun ondergeschikte positie te wijzen. Het repertoire bleef onverminderd een overdaad aan grappen over poep, pies en seks, die op hofhouding en gasten werd losgelaten.
Enkele narren waren zo grappig dat hun grappen opgetekend werden in grollenboeken en op jaarmarkten voor het gewone volk werden nagedaan. Zo ontstonden de zottenfeesten, waarbij alle normen en waarden tijdelijk op de kop werden gezet. De dwazen namen de macht enkele dagen over en staken de draak met hoogwaardigheidsbekleders uit de adellijke en geestelijke stand, die normaal de scepter zwaaiden. Er werden spotmissen gehouden, waarbij het volk tot dobbelen en overspel werd aangemoedigd, vieze schoenzolen werden verbrand in plaats van wierrook en de wijwaterkwast in urine werd gedoopt. Na enkele dagen verlost te zijn van alle knellende banden, werd het zottenfeest afgesloten en hernam het leven zijn normale loop.

Naarmate de hogere standen zich meer stoorden aan de boertige zottenfeesten en de lagere bevolkingsgroepen deze ergernissen overnamen, verloren de feesten hun grote populariteit en stierven zij langzaam uit. In Nederland speelde het dominante protestantisme hierbij een rol. De gekkigheid van de zottenfeesten werd deels overgenomen door de winterse ijspret. Hoewel carnaval met een feestprins, een Raad van Elf (gekkengetal) en het bekritiseren van politieke wantoestanden teruggrijpt op het zottenfeest, zit er een gat van eeuwen tussen beide feesten. De meeste carnavalsverenigingen in Nederland zijn na de Tweede Wereldoorlog opgericht.

Geschiedenis van het carnaval in Enschede
Het Enschedese carnaval gaat terug tot 1960/61, als de Enschedese Karnavalsvereniging E.K.V. wordt opgericht. "Jeugdige uitspattingen" in carnavalstijd worden al genoemd in raadsverslagen van omsteeks 1895, maar pas op Valentijnsdag 1959 steken enkele Enschedeërs, die net het carnaval in Oldenzaal hebben gezocht, de koppen bij elkaar om dit feest ook in de eigen stad te introduceren. Na een half geslaagde poging in 1960 is de carnavalsvereniging in 1961 een feit. In 1966 vindt een eerste, kleine optocht plaats en in 1969 wordt de Enschedese Karnavals Raad (E.K.R.) opgericht, die dan al nodig is om de feesten van de diverse net opgerichte carnavalsverenigingen onderling af te stemmen. Eveneens in 1969 verzoekt de E.K.R. de gemeente Enschede om bij te dragen aan 'carnavalsactiviteiten voor de jeugd'. In 1972 volgt een eerste kindercarnavalsbal op Rosenmontag. De gemeente draagt bij in de zaalhuur. In 1974 wil men opnieuw een optocht houden, zodat Enschede een échte carnavalsstad zou worden. Vanaf dat moment vinden jaarlijks carnavalsoptochten plaats, met uitzondering van 1991. Toen werd de tocht afgelast, omdat men het niet kies vond om te feesten tijdens de Golfoorlog.

In 1992 is de optocht daarom uitbundiger dan ooit, maar Krekelstad Enschede moet Boeskoolstad Oldenzaal op dit gebied toch als meerdere erkennen. In 1995 meldt de E.K.R. dat ze ervan uitgaan, dat Enschede binnen vijf jaar een echte carnavalsstad zal zijn. Dat gebeurt niet. In 1996 wordt geconstateerd dat de optocht in Enschede nooit het niveau zal halen van Oldenzaal. De optocht houdt echter stand en is vooral bij kinderen populair. Zoals het ooit in de jaren ’70 is begonnen, blijft de carnavalsoptocht ook nu vooral een feest voor de jeugd.

Auteur: 
Siebe Rossel